Bij SuperMicro koop je geen kant-en-klaar model, maar een combinatie van chassis en mainboard. Dat maakt het merk populair bij homelabbers en bij iedereen die een specifieke opstelling zoekt. Hier staan SuperMicro rackservers, opslagchassis met veel drivebays en nodesystemen waarbij meerdere servers een chassis delen. Aan het typenummer lees je af wat je koopt; die systematiek staat hieronder uitgelegd. Beheer op afstand loopt via IPMI.
Dell en HPE verkopen modellen. Een PowerEdge of een ProLiant is een vast pakket met een vaste naam. SuperMicro werkt met bouwstenen: je kiest een chassis en daarin zit een mainboard met een eigen typenummer. Die combinatie bepaalt wat de server kan. Het voordeel is keuzevrijheid en een lagere prijs. Het nadeel is dat je zelf moet weten wat je zoekt.
Het chassis. Het tweede cijfer geeft de hoogte. Een CSE-815 is 1U, een CSE-826 is 2U en een CSE-847 is 4U. Zo zie je aan de naam meteen hoeveel rackruimte een systeem inneemt.
Het mainboard. In X10DRW-i staat X10 voor de generatie, D voor dual socket, R voor het sockettype, W voor wide (een bord van volle breedte) en -i voor een onboard SATA-controller. Een X10SRL is dus dezelfde generatie, maar met een enkele socket en een smaller bord. Twee servers met hetzelfde chassis kunnen daardoor heel verschillende specificaties hebben.
SuperMicro gebruikt IPMI 2.0 voor beheer op afstand. Functioneel doet dat hetzelfde als iDRAC bij Dell en iLO bij HPE: je zet de server aan, installeert een besturingssysteem en leest de logs uit zonder ernaast te staan. Bij de meeste modellen zitten virtual media en KVM over LAN er gewoon in, via een aparte netwerkpoort.
De 1U-servers zijn de compacte rackmodellen. Onder 4U staan de opslagchassis met veel drivebays. De losse nodes zijn bedoeld voor bladesystemen. Liever een merk met vaste modellen? Bekijk dan de Dell PowerEdge-servers of alle rack- en towerservers.
Dat hangt af van wat je zoekt. Dell en HPE leveren vaste modellen met veel beschikbare onderdelen en een gepolijste beheerinterface, wat ze veilig maakt als eerste server. SuperMicro geeft meer keuzevrijheid in chassis en mainboard, vaak voor minder geld, maar vraagt meer voorkennis. Voor een homelab of een specifieke opslagopstelling is dat juist een voordeel.
Een barebone is een chassis met mainboard en voeding, maar zonder processor, geheugen en schijven. Die kies je er zelf bij. Let op: onze barebones bevatten meestal geen heatsinks en fans. Bestel je een processor bij de server, dan krijg je de benodigde heatsink en fans erbij. Dat geldt voor de meeste merken en modellen.
Er zijn twee nummers. CSE staat voor het chassis, waarbij het tweede cijfer de hoogte geeft: CSE-815 is 1U, CSE-826 is 2U, CSE-847 is 4U. Het tweede nummer is het mainboard, zoals X10DRW-i, waarin de generatie, het aantal sockets, het sockettype en de uitrusting zijn verwerkt.
Ja, en voor ZFS is er een extra optie. Bij verschillende opslagchassis kun je kiezen voor een controller die wij in IT-mode flashen, waardoor elke schijf ongewijzigd wordt doorgegeven aan het besturingssysteem. Dat is precies wat TrueNAS en ZFS nodig hebben. Verder is het standaard enterprise-hardware met ECC-geheugen, waar Proxmox en ESXi mee overweg kunnen.